Menu

22 mei 2018

De schuine blik, het is zien en gezien worden

Nu de zomer in aantocht is en menigeen zich weer in de tuin en op het (dak)terras begeeft, is het goed om na te gaan hoe het recht op privacy zich verhoudt tot het burenrecht. Temeer omdat dit relevant kan zijn voor de realisatie van woningen of de verbouw daarvan.

De voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft zich uitgesproken over de rechtmatigheid van een dakterras met een ondoorzichtig scherm dat enkel het zicht recht van voren ontnam. Wanneer schuin langs het scherm werd gekeken, was er wel uitzicht op het naburige perceel. In haar uitspraak kwam de rechtbank tot het oordeel dat zonder toestemming van de buren het betreffende dakterras niet is toegestaan wanneer dit zich binnen twee meter van de erfgrens bevindt.

Publiekrecht versus privaatrecht

Doorgaans zal degene die zijn woning wil verbouwen een omgevingsvergunning aanvragen bij de gemeente. Wanneer deze vergunning is verleend en onherroepelijk is geworden, is de publiekrechtelijke toestemming verkregen voor de bedoelde verbouwing.

Vaak wordt  gedacht dat daarmee de verbouwing juridisch gelegaliseerd is en de verbouwing gestart kan worden. Opdrachtgevers en aannemers zijn zich er vaak niet van bewust dat op grond van het burenrecht ook een privaatrechtelijke goedkeuring nodig kan zijn. Artikel 5:50 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt:
“Tenzij de eigenaar van het naburige erf daartoe toestemming heeft gegeven, is het niet geoorloofd binnen twee meter van de grenslijn van dit erf vensters of andere muuropeningen, dan wel balkons of soortgelijke werken te hebben, voor zover deze op dit erf uitzicht geven.” De gedachte achter dit wetsartikel is de bescherming van het recht op privacy van naburige eigenaren.

De kwestie

In de genoemde procedure wordt door de eiser gevorderd dat aan de gedaagden een verbod opgelegd wordt om een dakterras te realiseren op een afstand van minder dan twee meter van de erfgrens. Voor een juist begrip is het van belang om te weten dat de Hoge Raad op 13 juni 2003 heeft bepaald dat een dakterras wordt aangemerkt als “een balkon of soortgelijk werk”.

In reactie daarop wordt door de gedaagden gesteld dat een toestemming van de eiser niet nodig is. De gedaagden komen tot dit standpunt aangezien artikel 5:50 lid 1 BW slechts toestemming vereist voor het bouwen van werken “voor zover deze op dit erf uitzicht geven”. De gedaagden hebben dit uitzicht juist willen vermijden door bij de realisatie van het dakterras op de rand een ondoorzichtig scherm aan te brengen. Naar het oordeel van de gedaagden is het uitzicht voldoende weggenomen.

Ter verdediging van hun standpunt beroepen de gedaagden zich op een uitspraak van de Hoge Raad, waarin is bepaald dat:
“Indien het uitzicht vanaf een werk niet verder reikt dan tot een zich op of nabij het werk bevindende muur van twee meter hoog, dan is geen sprake meer van een ontoelaatbaar uitzicht op het naburige erf vanaf het balkon of soortgelijk werk.”

In haar uitspraak overweegt de rechter dat het duidelijk is dat dit scherm het uitzicht op het erf van de eiser wegneemt wanneer men met het gezicht “recht naar voren”, in de richting van dit scherm, staat. De eiser heeft echter betoogd dat het dakterras wel uitzicht geeft op zijn erf wanneer men “schuin” langs het scherm naar zijn erf kijkt. De vraag is of het begrip “schuin uitzicht” door de rechter mag worden meegenomen in de beoordeling.

De voorzieningenrechter stelt dat het schuine uitzicht van belang kan zijn. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is ook in geval van schuin zicht op het naburige erf, toestemming vereist:
“Artikel 5:50 BW beoogt te voorkomen dat buren elkaar op korte afstand ongemerkt kunnen bespieden en beschermt in die zin de visuele privacy. (…) Ter bepaling van het uitzicht als bedoeld in artikel 5:50 lid 1 BW dient daarom ook het schuine uitzicht op het erf in aanmerking te worden genomen.”

Op grond hiervan heeft de voorzieningenrechter de vordering van de eiser  toegewezen. De gedaagden hebben de toestemming van de buren nodig om het dakterras (met het ondoorzichtige scherm slechts aan één zijde) aan te mogen leggen.

Conclusie

Uit deze uitspraak blijkt dat het recht van de eigenaar om vrij van zijn zaak (perceel) gebruik te maken soms ondergeschikt geacht wordt aan de rechten van eigenaars van naburige percelen.

Bij het aanbrengen van een dakterras, een (dak)raam of een balkon, is het belangrijk om niet alleen de publiekrechtelijke toestemming te verkrijgen, maar ook tijdig de toestemming te vragen aan de eigenaar van het naastgelegen perceel.

Uiteraard is het raadzaam om de verkregen toestemming notarieel vast te leggen door middel van een erfdienstbaarheid of een kwalitatieve verplichting. Op die wijze gaat de verkregen toestemming van rechtswege over op de opvolgende eigenaren van de woning en worden scheve gezichten voorkomen.