Menu

20 september 2017

Prinsjesdag 2018: een onverwachte wending in het fiscale huwelijksvermogensrecht!

Op de valreep heeft het demissionaire kabinet een fiscaal plan gelanceerd dat zeer ingrijpend kan zijn voor gehuwden én samenwoners bij overlijden, schenken en beginnen en beëindigen van huwelijkse voorwaarden. Ingangsdatum is 1 januari aanstaande, dus aandacht is geboden! Demis van Lierop schreef een uitgebreid artikel over de plannen en hun consequenties.

1.             Inleiding

Zoals u waarschijnlijk heeft vernomen, treedt per 1 januari 2018 nieuw huwelijksvermogensrecht in werking. Dit heeft met name gevolgen voor stellen die na die datum in het huwelijk treden zonder huwelijkse voorwaarden te hebben gemaakt. Tussen hen ontstaat niet meer een algehele gemeenschap van goederen waartoe zowel reeds aanwezige als toekomstige goederen en schulden van beide echtgenoten gaan behoren. Er ontstaat een beperkte gemeenschap van goederen. Daarvan wordt het reeds aanwezige vermogen uitgesloten, tenzij dat voor het huwelijk al gemeenschappelijk was, zoals de mede-eigendom van de gezamenlijk aangekochte woning. Verder worden erfrechtelijke verkrijgingen en ontvangen schenkingen van de gemeenschap nieuwe stijl uitgesloten.

Met de fiscale gevolgen van deze stelselwijziging had de wetgever zich naar eigen zeggen nog niet bezig gehouden. In onze beleving waren die gevolgen met toepassing van de bestaande fiscale regels goed te overzien.

Zoals de laatste jaren gebruikelijk, heeft het kabinet op Prinsjesdag naast het Belastingplan 2018 een voorstel met ‘overige fiscale maatregelen’ ingediend. De grote verrassing dit jaar is het voorstel tot wijziging van de regels voor de erf- en schenkbelasting inzake de gevolgen van het huwelijk en huwelijkse voorwaarden (het ‘fiscale huwelijksvermogensrecht’).

2.             Huidige regels

2.1.         Schenkbelasting

Nu geldt het uitgangspunt dat het aangaan van huwelijkse voorwaarden niet kan leiden tot een belastbare schenking. Een echtpaar dat ooit is getrouwd op huwelijkse voorwaarden (inhoudende dat tussen hen geen gemeenschap bestaat), kan besluiten die huwelijkse voorwaarden op te heffen, waardoor hun vermogens een gemeenschap gaan vormen. Het kan zijn dat een van de echtgenoten veel vermogen heeft opgebouwd en de ander niets. Dan zou kunnen worden gezegd dat de helft van het vermogen van de ‘rijke’ echtgenoot door de ‘arme’ echtgenoot wordt verkregen. Misschien gebeurt dit wel in de wetenschap dat de rijke echtgenoot nog maar kort te leven heeft. Een belaste schenking ?

Niet dus, volgens de Hoge Raad. Het wezen van een gemeenschap van goederen is dat de uitkomst bij het einde van het huwelijk onzeker is. De arme echtgenoot kan de loterij winnen en de rollen zijn omgedraaid. Dus wie schenkt aan wie ?

Een en ander geldt ook voor de situatie waarin gehuwden niet naar een echte gemeenschap van goederen overgaan, maar bij huwelijkse voorwaarden afspreken dat zij bij het einde van hun huwelijk financieel met elkaar afrekenen alsof dat het geval was (een finaal verrekenbeding).

Later heeft de Belastingdienst zich op het standpunt gesteld dat zij het aangaan van een beperkte gemeenschap van goederen tijdens het huwelijk in bepaalde gevallen toch als belastbare schenking ziet. Dit is het geval als de uitkomst bij het einde van het huwelijk betrekkelijk zeker is. Een duidelijk voorbeeld is een gemeenschap van goederen waartoe één specifiek goed, bijvoorbeeld een woning van een van de echtgenoten, gaat behoren. Dit zou een belastbare schenking van de helft van de woning opleveren.

Hoe ver de gemeenschap mag worden ingeperkt voordat heffing aan de orde is, is in het standpunt betrekkelijk goed afgebakend. De wettelijke beperkte gemeenschap, zoals die vanaf 1 januari 2018 geldt, blijft evident buiten de gevarenzone.

2.2.         Erfbelasting

De Hoge Raad merkt in de genoemde uitspraak op dat de wet ook geen grondslag kent voor heffing van erfbelasting wanneer de rijke echtgenoot in het eerdere voorbeeld overlijdt. De wetgever zou deze grondslag moeten creëren als dat gewenst is.

Sinds de uitspraak is in de wet geen algemene grondslag geïntroduceerd voor erfbelasting over het vermogen dat een echtgenoot bij overlijden van de andere echtgenoot ‘extra erbij’ krijgt op grond van het huwelijksvermogensrecht.

Wel bepaalt de wet nu bij wijze van fictie dat heffing van erfbelasting in deze situatie aan de orde is voor zover de achterblijvende echtgenoot meer krijgt dan de helft van de gemeenschap of, ingeval van een finaal verrekenbeding, meer krijgt dan de helft van het te verrekenen vermogen.

3.             Voorgestelde regels

3.1.         Schenkbelasting

Het kabinet stelt vast dat het nu niet duidelijk is wanneer huwelijkse voorwaarden leiden tot een belaste schenking. Verder wordt aangegeven dat het in de praktijk als wenselijk wordt ervaren dat gehuwden hun vermogens in gemeenschap bijeen kunnen brengen in de verhouding 50/50 zonder heffing van schenkbelasting.

Voorgesteld wordt met zoveel woorden te bepalen dat een huwelijk of het maken van huwelijkse voorwaarden in principe niet tot heffing van schenkbelasting leidt. Dit tenzij de wet anders bepaalt.

Wat leest als een categorische uitzondering van heffing, is eigenlijk de introductie van een nieuwe wettelijke grondslag voor heffing van schenkbelasting ter zake huwelijkse voorwaarden. Voor de schenkbelasting wordt namelijk een nieuwe fictie geïntroduceerd.

Deze wijkt af van de systematiek die in het genoemde standpunt van de Belastingdienst wordt gehanteerd. De fictie lijkt specifiek van belang te zijn bij het ontstaan van een ‘echte’ gemeenschap. De bepaling spreekt namelijk van het ontstaan van een gerechtigdheid tot vermogen. Bij een finaal verrekenbeding is daar tijdens het huwelijk nog geen sprake van.

Uitgangspunt is dat heffing aan de orde is voor zover de huwelijkse voorwaarden tot gevolg hebben dat de minst vermogende echtgenoot gerechtigd wordt tot meer dan de helft van het totale vermogen van de echtgenoten samen. De echtgenoot die al gerechtigd is tot meer dan de helft krijgt alleen een heffing voor zover zijn gerechtigdheid door de huwelijkse voorwaarden verder toeneemt. De toetsing vindt plaats op het vermogen dat op dat moment aanwezig is.

Op het eerste gezicht lijkt dit een redelijk uitgangspunt te zijn. Van belang is echter dat het ‘totale vermogen’ niet alleen de gemeenschap betreft, maar ook de privévermogens van de echtgenoten voor zover het in hun macht ligt deze in de gemeenschap te laten vallen. Vermogen verkregen onder uitsluitingsclausule (op grond waarvan de erfenis of schenking buiten de gemeenschap van goederen blijft) kan niet tot de gemeenschap behoren en behoort dus niet tot het ‘totale vermogen’.

Bij het aangaan van huwelijkse voorwaarden waarbij een gemeenschap ontstaat die het totale vermogen omvat, zal geen sprake zijn van een heffing. Als wordt afgeweken van de standaard 50/50 verhouding waarin de echtgenoten tot de gemeenschap gerechtigd zijn, moet wel worden nagegaan welke echtgenoot op dat moment het minst vermogend is. Deze mag geen breukdeel groter dan de helft toegewezen krijgen.

Bij het aangaan van een beperkte gemeenschap is echter oplettendheid geboden. Als een van de echtgenoten bepaalde goederen buiten de gemeenschap houdt, bijvoorbeeld omdat het familiaal vermogen (niet onder uitsluitingsclausule verkregen) of een eigen onderneming betreft, of goederen die moeten worden beschermd tegen verhaal op de gemeenschap, kan een belaste verschuiving  plaatsvinden ondanks dat de echtgenoten 50/50 tot de gemeenschap gerechtigd zijn. Ook waar dat volgens het huidige standpunt niet tot een heffing leidt. Dit komt doordat de grens van 50% niet uitsluitend wordt bepaald voor de gemeenschap zelf, maar voor het ‘totale vermogen’ inclusief de buiten de gemeenschap gehouden goederen.

Bij het opheffen van huwelijkse voorwaarden waardoor een wettelijke gemeenschap van goederen nieuwe stijl ontstaat, kan dit probleem zich ook voordoen. Aanwezig gemeenschappelijk vermogen dat in ongelijke verhouding (bijvoorbeeld 90/10) wordt gehouden valt dan in de gemeenschap van goederen, waarin die verhouding 50/50 wordt, terwijl het andere aanwezige vermogen buiten de gemeenschap blijft. In de toelichting op het voorstel wordt echter aangegeven het aangaan van de nieuwe wettelijke gemeenschap niet tot heffing zou moeten leiden.

De beperking van de heffing tot de bovenmatige (meer dan de helft) verkrijging vervalt als het aangaan van een huwelijk (of geregistreerd partnerschap) als hoofddoel heeft het ontgaan van de erf- of schenkbelasting. Hiermee wordt een open norm in de wet geïntroduceerd, op grond waarvan de hele extra verworven gerechtigdheid van een echtgenoot als schenking kan worden belast.

3.2.         Erfbelasting

In het voorstel vindt ook bij overlijden van een echtgenoot toetsing plaats aan het criterium van 50% gerechtigdheid, op basis van het dan aanwezige totale vermogen. Een nieuwe fictie voor de erfbelasting vervangt de bestaande en lijkt specifiek van belang te zijn voor finale verrekenbedingen. Een gemeenschap bestaat immers al voor het overlijden en leidt bij overlijden dus niet meer tot een wijziging in de gerechtigdheid tot het vermogen. Een finaal verrekenbeding doet dat wel.

De nieuwe fictie wordt aangescherpt ten opzichte van de bestaande, want daarin wordt het criterium van 50% nog getoetst voor het te verrekenen vermogen zelf. Die toetsing zal het totale vermogen betreffen. Verder wordt zeker gesteld dat de fictie ook toepassing vindt als de scheve verdeling niet uitsluitend bij overlijden van een echtgenoot tot stand wordt gebracht. Voor de bestaande fictie is daar wat onzekerheid over.

Ook hier geldt dat een verrekenbeding in de verhouding 50/50 dat het totale vermogen omvat geen heffing oplevert. Maar als bepaalde goederen buiten de verrekening worden gehouden is weer oplettendheid geboden, om dezelfde reden als hierboven vermeld voor de beperkte gemeenschap.

Bij ondernemers kan dit een aandachtspunt zijn. Zij kiezen in de regel niet voor een ‘echte’ gemeenschap, uit oogpunt van bescherming tegen verhaal door schuldeisers. Om toch vermogen te kunnen delen, nemen zij dan een finaal verrekenbeding op. Om de continuïteit van de onderneming te waarborgen, houden zij de onderneming mogelijk buiten de grondslag voor de verrekening bij overlijden. Het overige vermogen beschouwen zij dan wel als ‘gemeenschappelijk’. Hier ligt een belaste verschuiving onder omstandigheden op de loer.

Een oplossing hiervoor zou kunnen zijn een bepaling aan de huwelijkse voorwaarden toe te voegen die de vordering uit het finale verrekenbeding zodanig corrigeert dat de gerechtigdheid van iedere echtgenoot in het totale vermogen binnen de toegestane marge blijft.

4.             Samenwoners

De regels die gelden voor gehuwden, gelden ook voor geregistreerde partners. Verder gelden de regels op overeenkomstige wijze voor samenwoners, mits deze voor de schenk- en erfbelasting als partners worden aangemerkt en bij notariële akte een samenlevingsovereenkomst zijn aangegaan.

Daarmee wordt duidelijk dat samenwoners, net als gehuwden, een finaal verrekenbeding kunnen opnemen. De fiscale gevolgen daarvan waren enigszins onzeker, maar nu is duidelijk dat er geen heffing aan de orde is zolang geen van beiden recht krijgt op meer dan de helft van het totaal.

Samenwoners kunnen geen huwelijksvermogensrechtelijke gemeenschap tot stand brengen. Wel kunnen zij goederen in mede-eigendom verkrijgen. De vraag die het voorstel oproept, is of zij straks goederen die nu nog op naam van één van hen staan in mede-eigendom kunnen brengen zonder heffing van schenkbelasting over de helft daarvan.

5.             Inwerkingtreding

Van belang is dat de nieuwe regels, als het voorstel wordt aangenomen, zullen gelden vanaf 1 januari 2018. De nieuwe fictie voor de schenkbelasting geldt dus voor huwelijkse voorwaarden die na die datum worden gemaakt. Wat betreft de fictie voor de erfbelasting kunnen de regels ook van toepassing zijn op bestaande huwelijkse voorwaarden en samenlevingsovereenkomsten, als het overlijden na die datum plaatsvindt. Niet uitgesloten is dat deze straks, afhankelijk van de financiële omstandigheden, andere gevolgen blijken te hebben dan bij het aangaan ervan was voorzien.

Nader advies gewenst?

Hoewel het nog een voorstel betreft, kan de nieuwe regeling de nodige impact hebben in uw specifieke situatie. U doet er verstandig aan om alvast nader advies in te winnen als een van de volgende situaties voor u van toepassing is:

1.     U bent getrouwd of gaat trouwen en wenst een aandeel in specifieke (categorieën van) goederen aan uw partner over te dragen. Voor 1 januari 2018 heeft u wellicht meer mogelijkheden dan daarna om dat zonder belastingheffing te realiseren door middel van huwelijkse voorwaarden.

2.     U heeft huwelijkse voorwaarden die ingeval van overlijden verplichten tot verrekening van vermogen, maar waarbij specifieke (categorieën van) goederen (zoals uw onderneming) van de verrekening zijn uitgezonderd. Na 1 januari 2018 zouden deze huwelijkse voorwaarden andere fiscale gevolgen kunnen hebben dan bij het maken van de huwelijkse voorwaarden is voorzien.